Er zijn concerten waarvan je met het gevoel vertrekt dat je een apart moment hebt meegemaakt. Deze zaterdag 16 mei 2026, in het Zénith van Parijs-La Villette, Renaud sloot zijn drie Parijse jubileumconcerten af, na twee eerdere optredens op 14 en 15 mei met telkens andere gasten. Dit verslag gaat uitsluitend over die laatste avond, de avond die wij hebben meegemaakt.
Vijftig jaar na zijn debuut, en veertig jaar nadat hij als allereerste artiest de Zénith betrad bij de inauguratie in januari 1984, keerde Renaud terug naar de zaal met zijn band, zijn liedjes en talrijke gasten. Vanaf de eerste noten stond een groot deel van het publiek op en zong mee, zoals vaak met zijn repertoire, gedragen door refreinen die meerdere generaties uit het hoofd kennen.
Deze zaterdag 16 mei hebben op het podium van de Zénith onder meer de volgende artiesten opgetreden: Hugues Aufray, Francis Cabrel, Alain Souchon, Ours, Pierre Souchon, Bénabar, Vianney, Pascal Obispo, Axelle Red, Renan Luce, Élodie Frégé, Gauvain Sers, Noé Preszow, Anne Sila, Benoît Dorémus, Mentissa, Emily Loizeau, Leïla Huissoud of Youssef Swatt’s. De genodigden varieerden per datum; deze lijst betreft uitsluitend de avond van 16 mei.
In het centrum staat Renaud. In een setting die aan een Parijse straat doet denken, waar aan de tuinzijde een café-bar prijkt met de naam « Mon bistrot préféré », ontvangt de zanger zijn gasten omringd door zijn trouwe muzikanten, waaronder de historische gitaristen Jean-Pierre Buccolo en Michaël Ohayon. De scenografie speelt ook met beelden: tussen sommige stukken herinneren archieffragmenten van interviews en televisuitzendingen aan verschillende periodes uit zijn carrière, terwijl de projecties achter op het podium een andere sfeer creëren afhankelijk van het lied. direct al waarschuwt Renaud het publiek met een glimlach: « Vanavond is het een concert van mij… en van mijn gasten. Ik ga zes liedjes zingen. » Die zin laat de zaal glimlachen, maar geeft vrij treffend het principe van de avond mee: zijn nummers gaan van stem naar stem.
De opener ligt in handen van Noé Preszow en Gauvain Sers, die meteen het Zénith op z’n kop zetten met een elektrische versie van Où c’est qu’j’ai mis mon flingue ?. Noé Preszow verschijnt niet zomaar: hij komt vaker terug, zingt veel mee, neemt deel aan meerdere collectieve momenten en wordt zo een van de meest aanwezige artiesten op deze laatste avond.
De eerste grote sensatie: Francis Cabrel sluit zich aan bij Renaud op La Pêche à la ligne. Twee stemmen, twee gitaren, bijna niets meer. Het nummer wordt gebracht in een uiterst eenvoudige vorm, die alle ruimte laat voor het verhaal en de ontmoeting tussen de twee artiesten. Enkele minuten later neemt Pascal Obispo Miss Maggie over in een wat directere uitvoering, gedragen door een krachtige stem en een sterke podiumenergie.
Daarna komt Alain Souchon, omringd door zijn zonen Ours en Pierre Souchon, om Ma gonzesse te zingen. Alle drie zitten ze naast elkaar en creëren ze een intiem en heel teder familie-moment, terwijl het Zénith op volle borst meezingt. In de zaal circuleren de teksten overal: het is geen ingetogen luistermoment, maar een groot volkskoor.
Vianney maakt daarna zijn intrede op Marche à l’ombre, sprankelend en tegelijk nerveus, meteen in verbinding met het publiek. Hij pakt het nummer met veel energie aan, en het Zénith volgt zonder aarzeling, refrein na refrein.
Later moet Élodie Frégé, zeer ontroerd bij het inzetten van Il pleut, een ogenblik stoppen, de stem plots belemmerd. Ze gaat een glas water drinken, keert terug naar het publiek met een glimlach en laat horen: « Het is de emotie. » Het publiek applaudisseert meteen, alsof men haar zo wat ademruimte geeft. Dit kleine incident op het podium geeft de avond ook zijn levendige kant, ver weg van een te glad eerbetoon.
Een ander hoogtepunt: Hugues Aufray. Op 96-jarige leeftijd verschijnt de zanger met een verbluffende energie. Hij beheerst het podium, zingt met verve, beweegt, leeft het nummer: een echte kracht van de natuur. Bij Morts les enfants blijft hij niet beperkt tot een symbolische aanwezigheid; hij laat ook nog iets zeer fysieks zien. Aan het einde van het nummer staat Renaud op, loopt hij over het podium en omhelst hij hem langdurig. De gebaar zegt genoeg: het drukt Renauds bewondering voor een van de ouderen uit en de rol van overdracht op deze avond.
Op Son bleu, begeleid aan de piano door Alain Lanty, staat Renaud opnieuw solo vooraan het podium. Zijn stem is beschadigd, soms bijna ademloos, maar het publiek blijft bij hem, attent bij elke zin. Die avond komt de zaal niet voor een vlekkeloze vocale prestatie: ze komt terug voor een artiest, zijn woorden, zijn stiltes en wat die nog vertellen.
Het duo met Axelle Red op Manhattan-Kaboul volgt daarna als een van de hoogtepunten die de avond in petto heeft. Gedragen door de gitaar van Jean-Pierre Buccolo herneemt het nummer onmiddellijk zijn melancholische lading. Axelle Red brengt haar zachtheid, Renaud zijn kwetsbaarheid, en het chanson krijgt weer helemaal zijn plaats terug in het concert.
Pascal Obispo komt terug op het podium met C’est quand qu’on va où ?. Zijn versie geeft het nummer meer slagkracht, zonder de woede in de tekst te dempen. In de zaal klinken de teksten nog sterk door, gedragen door een publiek dat ze af en toe meezingt.
Renaud vervolgde met Le Marchand de cailloux, vergezeld door zijn violoniste en door Noé Preszow. Het contrast werkt erg goed: Renauds gehavende stem, de viool die de melancholie van het nummer onderstreept, en Noé Preszow die het lied mee tilt zonder het te overheersen. Het fragment wordt zo een van de echte momenten van verbinding van de avond.
Noé Preszow, die het hele concert door aanwezig was, brengt ook Docteur Renaud, Mister Renard, terwijl Gauvain Sers het lied Amoureux de Paname zingt. Benoît Dorémus pakt aan de andere kant Pochtron ! op, in een register dat perfect aansluit bij zijn universum als singer-songwriter.
Leïla Huissoud laat Je suis une bande de jeunes horen, voordat ze zich bij Gauvain Sers en Youssef Swatt’s voegt op Société tu m’auras pas. Het nummer krijgt dan een wat directere energie, gedragen door drie heel verschillende stemmen.
Anne Sila raakt ontroerd met Petite, daarna zingt ze ook Manu. Ze vindt ook Renaud terug op Mistral gagnant, allebei zittend op een bank, in een uiterst tedere versie. Het nummer, uiteraard langverwacht, wordt gedragen door de hele zaal met die bijzondere intensiteit van liedjes die het publiek woord voor woord kent.
Morgane de toi brengt Vianney en Mentissa samen in een uitvoering die meteen uit volle borst wordt gezongen door het Zénith. Voor deze gelegenheid had de fanclub hartvormige ballonnen uitgedeeld om op te pompen. In de zaal dragen sommigen ze trots, laten ze meebewegen op het ritme van de muziek, terwijl de teksten overal om ons heen rondgaan: ook bij dit nummer zingt het publiek evenveel als het luistert.
Anne Sila, Mentissa en Fredo brengen Germaine weer tot leven, een nieuw moment van samenzijn rond een erg bekend Renaud-nummer. De stemmen reageren op elkaar, het publiek volgt, en de avond blijft navigeren tussen een getrouw eerbetoon en heel verschillende herinterpretaties per artiest.
Renan Luce brengt zijn folk-achtige elegantie naar Déserteur. Francis Cabrel keert terug naast Youssef Swatt’s voor Chanson pour Pierrot, in een onverwachte ontmoeting tussen twee generaties en twee heel verschillende manieren om de tekst uit te dragen. Bénabar, hij laat Laisse béton weerklinken, een van de titels die het directst herkenbaar zijn uit het repertoire van Renaud.
Renaud maakt een comeback met En cloque. Ook nu wankelt zijn stem, maar het publiek is bij elke regel mee. In de zaal hangt een bijzondere concentratie, alsof iedereen het nummer mee draagt zonder het op te dringen. De titel, die op het album al teder klonk, krijgt hier een nog fragielere, bijna bescheiden vorm.
Emily Loizeau levert een van de grappigste momenten van de avond met It Is Not Because You Are, dat ze met een heel uitgesproken humor benadert. De titel, die al apart staat in Renauds repertoire, wordt een lichte ademruimte te midden van een concert dat vaak bol staat van emotie.
Het vervolg krijgt een politiekere tint met Hexagone, gedragen door Renaud, Renan Luce, Emily Loizeau en Noé Preszow. De beelden van oude televisies die op het grote scherm geprojecteerd worden begeleiden het nummer en herinneren aan de wortels uit de jaren zeventig. Ook nu volgt het publiek de teksten, in een moment dat meer collectief dan demonstratief oogt.
Met nog maar een paar nummers te gaan wordt La Ballade nord-irlandaise voor het eerst uitgevoerd, meegezongen door een groot deel van het publiek. Het nummer keert later terug als bis, en eindigt het concert op een zeer collectieve noot.
In mijn HLM brengt samen Pascal Obispo, Gauvain Sers, Benoît Dorémus en Bénabar, voor een van de grootste koor-momenten van het eind van de avond. Het publiek zingt de coupletten en de refreinen, gedragen door de energie van het podium dat volledig bijeen is gebracht op scène.
Tot slot verzamelt Dès que le vent soufflera eerst Renaud, Noé Preszow en Pascal Obispo, voordat alle genodigden het podium betreden. Het Zénith zingt het refrein mee, gedragen door de artiesten en door het publiek.
Dertig artiesten, bijna, Renaud staand in het midden, met een leren jack en een rode-witte bandana, en een publiek dat luider zingt dan het podium. Na de laatste noten gaan de lichten weer aan. Niemand beweegt echt. We blijven zingen in de zaal, daarna buiten, op de esplanade, terwijl we richting La Villette lopen.
Datums en tijdschema's
Op 16 mei 2026
Plaats
Zenith Parijs - La Villette
211 Avenue Jean Jaurès
75019 Paris 19
Toegang
M° Porte de Pantin