De meulière in de voorstad is wat de Haussmann-architectuur voor Parijs is. Alleen heeft ze zich niet in één ruk opgelegd, maar geleidelijk, in reactie op de veranderende stedelijke behoeften en ontwikkelingen. Tegenwoordig is het onmogelijk om door Sceaux, Nogent-sur-Marne, Maisons-Alfort, Montreuil of Meudon te lopen zonder die typische huizen met gemêleerde gevels tegen te komen, symbolen van de suburbanewoonwijk. Maar hoe heeft deze steen de architectonische identiteit van zo’n heel regio weten te vormen?
Oorspronkelijk is meulière een natuurlijke steen die uit de Franse buitenwijken werd gewonnen, vooral in Seine-et-Marne en in de Essonne. In eerste instantie werd ze gebruikt voor het maken van molenstenen — vandaar haar naam. Ruw en sterk, en destijds volop aanwezig, werd ze eerst gezien als een bescheiden materiaal, ver verwijderd van de edelstenen die in de chique wijken van Parijs werden gebruikt. Ze heeft vooral de bouw van utilitaire gebouwen mogelijk gemaakt: muren, schuren en landelijke huizen.
In die periode bestond het niet echt nog uit de voorstedelijke wijken zoals we dat vandaag kennen, maar uit kleine dorpjes, landbouwgebieden en tuinzones. De harde kalksteen werd toen vooral gekozen vanwege praktische redenen: hij was overvloedig, sterk en betaalbaar. Hoe hij eruitzag maakte niet zoveel uit. Soms werd hij afgewerkt met een laagje pleister, soms werd hij gemengd met andere materialen. I
Het is in de tweede helft van de 19e eeuw dat alles op zijn kop gaat. Parijs wordt dichter bevolkt, het openbaar vervoer ontwikkelt zich snel, en de omliggende gemeenten zien hun inwonersaantal explosief groeien. De vraag naar woningen neemt stevig toe, vooral onder de middenklasse die op zoek is naar ruimte, frisse lucht en groen.
De slijtwand, die al aanwezig en onder controle was, valt nu op als vanzelfsprekende keuze. Maar de toepassing ervan evolueert. Ze is niet langer slechts een functioneel materiaal: ze wordt een sociale en stedelijke marker. Paviljoentjes schieten uit de grond, de steen wordt zichtbaar en wordt gecombineerd met baksteen, keramiek en smeedwerk. Er ontstaat een herkenbare stijl.
Hier groeide de kalksteen uit tot ver buiten de woningen. Scholen, gemeentehuizen en openbare gebouwen volgden al snel in deze architectuur, vooral onder de Derde Republiek. Na de Tweede Wereldoorlog raakte deze bouwstijl in de vergetelheid doordat andere stedelijke modellen populairder werden. Vandaag de dag maken de kalkstenen gevels echter weer een comeback; sommigen waarderen de charme die ze uitstralen en er wordt dan ook meer moeite gedaan om deze typische bouwstijl uit de Île-de-France te beschermen. Soms is deze nog terug te vinden in Parijs zelf, waar ze een bijzonder karakter aan de stad geven.















